Dramales: Wie – wat – waar

Elke maandag organiseren we op school de muzische ateliers. De leerlingen zitten in een doorschuifsysteem waarbij ze afwisselend muziek, drama en beeld voorgeschoteld krijgen. Als juf van het derde leerjaar sta ik in voor de dramalessen voor de lagere klassen (L1, L2 en L3). Omdat ik ervaar dat het niet eenvoudig is om leuke dramalessen uit je mouw te schudden, deel ik graag een les met jullie.

Bij deze les is het de bedoeling dat de leerlingen situaties gaan uitbeelden. Ze mogen niet kiezen welke situatie maar krijgen een aantal opgelegde elementen. Deze elementen zijn onder te verdelen in 3 categorieën: wie, wat en waar.

In de eerste fase van de les worden alle elementen kort uitgebeeld door de leerlingen. De leerkracht duidt iemand aan, die trekt een kaartje uit eender welke groep en beeldt het personage, de gebeurtenis of de plaats uit die op het kaartje staat. De andere leerlingen raden. Dit doe je tot alle kaartjes een keer aan bod kwamen. Hierdoor weten de leerlingen welke elementen ze kunnen verwachten.

In de tweede fase van de les gaan de leerlingen in groepen van 3 à 4 spelers zitten. Elke groep trekt 3 kaartjes, van elke categorie één. Ze brengen deze drie elementen samen en verzinnen hier een kort verhaaltje rond. Dit gieten ze in een toneelvorm. Ze oefenen de toneeltjes in. Zodra alle leerlingen hun situatie ingeoefend hebben, vindt het toonmoment plaats. Om beurt komen de groepen aan bod. De andere leerlingen raden hierna welke 3 elementen de groep getrokken had. (Als je fase 1 liever overslaat, is het natuurlijk heel wat moeilijker om op het einde te raden welke elementen precies verplicht waren om op te nemen in het toneeltje.)

Aan deze les kunnen volgende leerplandoelen (uit het leerplan muzische opvoeding – dramatisch spel) gekoppeld worden:

  • D 1.3: Kinderen kunnen de wijze waarop een dramatisch spel tot stand komt, herkennen en beschouwen. Dat houdt in dat ze vaststellen dat vragen als ‘wie, wat, waarom, hoe, wanneer en waar’? hen op het spoor brengen van de wezenlijke aspecten van dramatisch spel.
  • D 2.5: Kinderen genieten van dramatisch spel. Dat houdt in dat ze plezier beleven aan en genieten van zelf spelen en samenspelen met anderen.
  • D 3.5.: Kinderen zijn verwonderd over de uitdrukkingsmogelijkheden bij dramatisch spel. Dat houdt in dat ze zich verwonderen over de boodschap die anderen dramatiseren.

Deze les heb ik uitgevoerd in het 2de en het 3de leerjaar en bij de leerlingen was het een groot succes. Ik had een dik half uur tijd maar kreeg niet alle toneeltjes getoond, dit heb ik op een ander moment moeten doen. Een uur is voor deze les ideaal.

Ik gebruikte voor de les de kaartjes die je hieronder kan vinden. Natuurlijk kan je zelf nog kaarten toevoegen of voor andere begrippen kiezen (die je bijvoorbeeld linkt aan een bepaald thema).

Veel plezier ermee!

Wie wat waar

Advertenties

4 gedachtes over “Dramales: Wie – wat – waar

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s